8.3.2
Voorbeelden van gedifferentieerde leerplanscenario's
In de volgende korte
illustratie van mogelijke scenario-opties of -variaties worden twee soorten
beslissingen in verband met de organisatie en het leerplan voor een bepaald
schoolstelsel geschetst, dat twee andere moderne talen moet omvatten dan de
onderwijstaal (hierna traditioneel maar misleidend aangeduid als de moedertaal
terwijl iedereen weet dat ook in Europa de onderwijstaal vaak niet de
moedertaal van de leerlingen is): één taal die start op de basisschool (vreemde
taal 1, hierna VT1), een andere die start in de onderbouw van de middelbare
school (vreemde taal 2, hierna VT2) en een derde (VT3) die als keuzevak wordt aangeboden
in de bovenbouw van de middelbare school.
In deze
voorbeeldscenario's wordt een onderscheid gemaakt tussen het basisonderwijs en
de lagere en hogere klassen van het middelbaar onderwijs dat niet noodzakelijk
overeenstemt met de inrichting van alle nationale onderwijsstelsels. Toch
kunnen deze illustratieve programma's gemakkelijk worden omgezet en aangepast,
zelfs in omgevingen waar het talenaanbod beperkter is of waar de eerste vreemde
taal op school wordt geleerd na het primair onderwijs. Wie meer kan doen, kan
ook minder doen. De hier gepresenteerde alternatieven omvatten vormen van leren
voor drie vreemde talen (twee uit een groter aanbod zijn onderdeel van het
verplichte programma en de derde, die ook kan worden gekozen, wordt aangeboden
als extra keuzevak of in plaats van andere keuzevakken) omdat dat in de meeste
gevallen het meest realistisch lijkt en een goede basis vormt om dit punt te
illustreren. De centrale stelling is dat in een gegeven context verschillende
scenario's denkbaar zijn en dat lokale verscheidenheid mogelijk is, mits in elk
geval voldoende aandacht wordt besteed aan de algehele samenhang en structuur
van elke afzonderlijke optie.
- Eerste scenario
Basisschool:
De eerste vreemde taal
(VT1) begint op de basisschool met als hoofddoel de ontwikkeling van
'taalbewustzijn', een algemeen bewustzijn van linguïstische verschijnselen (in
relatie met de moedertaal of andere talen die in de klas aanwezig zijn). De
nadruk ligt hier op partiële doelen die vooral betrekking hebben op de algemene
competenties van de individuele leerders (ontdekking of erkenning door de
school van de meervoudigheid van talen en culturen, voorbereiding op het
verlaten van het etnocentrisme, relativering maar ook bevestiging van de eigen
linguïstische en culturele identiteit van de leerder; aandacht voor
lichaamstaal en gebaren, geluidsaspecten, muziek en ritme, ervaren van de
fysieke en esthetische dimensies van bepaalde elementen van een andere taal) en
het verband met de communicatieve competentie, maar zonder dat er
gestructureerde en expliciete pogingen worden ondernomen om deze specifieke
competentie te ontwikkelen.
Onderbouw middelbare
school:
- VT1 wordt voortgezet, waarbij de nadruk voortaan ligt op de
geleidelijke ontwikkeling van communicatieve competentie (in haar
linguïstische, sociolinguïstische en pragmatische dimensies), volledig rekening
houdend met de op basisniveau behaalde resultaten op het gebied van
taalbewustzijn.
- De tweede vreemde taal (VT2, niet onderwezen op de
basisschool) zou ook niet helemaal op nul beginnen; ook hierbij zou rekening
worden gehouden met wat op de basisschool was gedaan op basis van en met
betrekking tot VT1, al zouden enigszins andere doelen worden nagestreefd dan nu
met VT1 (bijvoorbeeld door begripsactiviteiten voorrang te geven op
productieactiviteiten).
Bovenbouw middelbare
school:
- In dit voorbeeldscenario
zou nu aandacht moeten worden besteed aan:
vermindering van het formele onderwijs in VT1 en in plaats
daarvan een regelmatig of incidenteel gebruik van de taal voor het onderwijzen
van een ander vak (een vorm van domeingebonden leren en 'tweetalig onderwijs');
- handhaving van de nadruk bij VT2 op begrip, met bijzondere
aandacht voor verschillende teksttypen en de organisatie van discourse, en
verbanden tussen dit werk en wat er wordt of is gedaan in de moedertaal,
daarbij ook gebruik makend van vaardigheden die zijn geleerd in VT1;
- het uitnodigen van leerlingen die de optionele derde vreemde
taal (VT3) willen studeren om allereerst deel te nemen aan discussies en
activiteiten die betrekking hebben op soorten leren en leerstrategieën die zij
al hebben ervaren; zij worden vervolgens aangemoedigd zelfstandiger te werken,
gebruik makend van een hulpcentrum en bijdragend aan de opstelling van een
programma voor individueel of groepswerk dat gericht is op de doelen die de
groep of de instelling heeft gesteld.
- Tweede scenario
Basisschool:
De eerste vreemde taal
(VT1) begint op de basisschool met de nadruk basale mondelinge communicatie en
een duidelijk vooraf bepaalde linguïstische inhoud (met de bedoeling het begin
van een elementaire linguïstische component tot stand te brengen, voornamelijk
fonetische en syntactische aspecten, en basale mondelinge communicatie in de
klas te bevorderen).
Onderbouw middelbare
school:
Zowel voor VT1 en VT2 (op
het moment dat deze tweede vreemde taal wordt geïntroduceerd) als voor de
moedertaal wordt tijd besteed aan een terugblik op de leermethoden en
-technieken die men op de basisschool heeft ervaren voor VT1 en, los daarvan,
voor de moedertaal. De bedoeling is in deze fase bij leerders de gevoeligheid
en het bewustzijn van de benadering van talen en leeractiviteiten te vergroten.
- Voor VT1 wordt een 'normaal' programma, bedoeld om de
verschillende vaardigheden te ontwikkelen, voortgezet tot het einde van de
middelbare school maar dit wordt met zekere tussenpozen aangevuld met revisie-
en bespreeksessies over de middelen en methoden van onderwijzen en leren om een
steeds grotere differentiatie tussen de profielen van verschillende leerlingen
en hun verwachtingen en belangen mogelijk te maken.
- Voor VT2 kan in deze fase bijzondere nadruk worden gelegd op
de sociaal-culturele en sociolinguïstische elementen zoals die worden
waargenomen door toenemende vertrouwdheid met de media (populaire pers, radio
en televisie), mogelijk gekoppeld aan het moedertaalprogramma en gebruik makend
van wat in VT1 is behandeld. In dit curriculummodel is VT2, die wordt
voortgezet tot het einde van de middelbare school, het belangrijkste forum voor
culturele en interculturele discussie, gevoed door contact met de overige talen
in het leerplan en met teksten uit de media als brandpunt. Hierin zou ook de
ervaring van een internationale uitwisseling kunnen worden opgenomen, met de
nadruk op interculturele betrekkingen. Tevens dient aandacht te worden besteed
aan de inzet van andere vakken (zoals geschiedenis of aardrijkskunde) die
kunnen helpen een doordachte benadering van multiculturalisme van de grond te
krijgen.
Bovenbouw middelbare
school:
- VT1 en VT2 worden elk in dezelfde richting voortgezet maar op
een complexer en veeleisender niveau. Leerlingen die voor een derde vreemde
taal (VT3) kiezen, doen dit hoofdzakelijk uit 'beroepsmatige' overwegingen en
betrekken het leren van de taal op een meer professioneel gericht of ander
academisch onderdeel van hun opleiding (bijvoorbeeld door de taal van handel,
economie of technologie te kiezen).
Benadrukt moet worden dat in dit tweede scenario, net als in
het eerste, het uiteindelijke meertalige en multiculturele profiel van de
leerders 'ongelijkmatig' kan zijn in die zin dat:
-
het vaardigheidsniveau in de verschillende talen binnen de
meertalige competentie zal variëren;
de culturele aspecten bij de verschillende talen ongelijk
ontwikkeld zullen zijn;
- bij de talen waarvan de linguïstische aspecten de meeste
aandacht hebben gekregen het culturele aspect niet noodzakelijkerwijs ook het
meest ontwikkeld is;
- er, zoals beschreven, 'partiële' competenties zijn
geïntegreerd.
Aan deze korte
observaties kan nog worden toegevoegd dat in elk geval en voor alle talen op
een of ander moment tijd moet worden vrijgemaakt om na te denken over de
methoden en leertrajecten waarmee leerders tijdens hun ontwikkeling worden
geconfronteerd of waarvoor zij kiezen. Dit impliceert dat in het
leerplanontwerp op school ruimte moet zijn voor het expliciteren en de
voortgaande ontwikkeling van het 'leerbewustzijn' en voor algemeen
taalonderwijs dat leerders helpt metacognitieve controle over hun eigen
competenties en strategieën te verwerven. Leerders brengen deze in verband met
andere mogelijke competenties en strategieën en met de taalactiviteiten waarbij
ze worden toegepast om taken uit te voeren binnen specifieke domeinen.
Met andere woorden, het
is een van de doelen van leerplanontwikkeling om, ongeacht het specifieke
leerplan, leerders bewust te maken van categorieën en de dynamische
verhoudingen daartussen zoals voorgesteld in het model dat is gekozen voor het
referentiekader.