taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » scriptieprijs »

Scriptieprijs 2003

Samenvatting winnende scriptie

De rol van orthografie bij woordherkenning in het Nederlands: een aanvulling op morfologisch onderzoek van Schreuder & Baayen


In mijn thesisonderzoek heb ik mij afgevraagd in welke vorm de woorden die we lezen ons geheugen bereiken: in hun orthografische vorm (het geschreven woord) of in hun fonologische vorm (de klank van het woord)? Als we leren lezen, leren we in de eerste plaats letters en letterreeksen verklanken. Via de verklankte woordjes krijgen we toegang tot ons talig geheugen en op deze manier kunnen we de betekenis van de letters achterhalen. De vraag is echter of wij als ervaren lezers nog steeds verklanken terwijl we lezen. Het is immers niet ondenkbaar dat we ook rechtstreeks via het geschreven woord toegang tot ons geheugen kunnen krijgen. Het zou kunnen dat we, vanaf het moment dat we genoeg vertrouwd zijn met geschreven letters en letterreeksen, via een ‘shortcut’ naar ons mentale lexicon gaan.

Onderzoek naar de rol van orthografie bij visuele woordherkenning is niet nieuw, maar in mijn thesisonderzoek heb ik deze vraag op een alternatieve manier aangepakt. Ik ben vertrokken van het ‘Stem Frequency Effect’, zoals dat onderzocht werd door Harald Baayen, Ton Dijkstra en Rob Schreuder (1997). Zij ontdekten onder andere dat de snelheid waarmee een enkelvoudig substantief herkend wordt, niet alleen bepaald wordt door de frequentie van dat woord zelf, maar van de som van de frequenties van de enkelvouds- en de meervoudsvorm. Als het meervoud gelezen wordt, wordt tijdens de verwerking daarvan de bijhorende enkelvoudsvorm geactiveerd en op deze manier wordt de frequentie van het enkelvoud verhoogd zonder dat het woord zelf gelezen werd. Je zou dus kunnen stellen dat enkelvouden en hun bijhorende meervoudsvormen heel nauw met elkaar verbonden zijn.

In mijn onderzoek heb ik in een reeks van drie experimenten onderzocht of deze band tussen substantieven en hun bijhorend meervoud in het Nederlands even sterk is bij alle enkelvouds- meervoudsparen. Het zou immers kunnen dat verschillen in de orthografische en/of de fonologische vorm van beide woorden deze relatie beïnvloeden. In een woordbeslissingsexperiment (waarin de deelnemers woorden gepresenteerd krijgen, waarvan ze zo snel mogelijk moeten zeggen of ze bestaan in het Nederlands of niet) werden enkelvouden uit vier verschillende groepen met elkaar gecontrasteerd. Een eerste groep bestond uit woorden waarvan het enkelvoud volledig in de orthografische en de fonologische vorm van het meervoud vervat ligt: helm - helmen. Een tweede groep bevatte woorden waarvan het enkelvoud zowel in de orthografische als in de fonologische vorm verschillend was van de meervoudsvorm: huis - huizen. In de andere twee groepen zaten woorden waarvan enkel de orthografische of de fonologische vorm van beide woorden verschillend waren: boom - bomen en tand - tanden. Binnen die vier groepen werden woordparen gevormd met een verschillende Stem Frequency (de som van de enkelvouds- en de meervoudsfrequentie). Op deze manier kon onderzocht worden of het Stem Frequency Effect even groot is voor woorden uit de verschillende groepen. De grootte van het Stem Frequency Effect geeft dan aan in welke mate de enkelvouds- en meervoudsvormen met elkaar verbonden zijn.

Uit de reactietijden die verkregen werden uit de experimenten, bleek dat het Stem Frequency Effect kleiner is als de fonologische vorm van het enkelvoud en het bijhorend meervoud niet exact overeenkomen. De band tussen woordparen als helm – helmen en boom – bomen is dus sterker dan die tussen woordparen als tand – tanden en huis – huizen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat ook ervaren lezers gebruik maken van de fonologische (verklankte) vorm van woorden om bij de betekenissen in het mentale lexicon te geraken.

Sarah Bernolet

© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties