Taalunie Scriptieprijs 2007: samenvatting winnende scriptie
De bijdrage van de intrinsieke toonhoogte van klinkers tot een buitenlands accent in vreemdetaalverwerving
Wie een vreemde taal (T2) leert, zal, alleszins aanvankelijk, deze taal spreken met een accent. Typisch produceert een leerder een T2-klank met kenmerken die tussen de norm van die klank en de corresponderende klank in zijn moedertaal (T1) in vallen: hij produceert de klank niet meer precies zoals in zijn moedertaal, maar weet de uitspraak van moedertaalsprekers van T2 voor die klank ook niet helemaal te bereiken. Naarmate een leerder meer ervaring opdoet in T2, zal hij de norm voor T2-klanken beter gaan benaderen. Toch wordt ook de uitspraak van ervaren T2-sprekers vaak nog gekenmerkt door een accent. Er bestaat een uitgebreide literatuur over dit fenomeen van buitenlands accent in vreemdetaalverwerving. In mijn scriptie belicht ik een aspect van klinkerproductie dat in de literatuur tot dusver nog niet vanuit een taalverwervingsperspectief onderzocht is, maar mogelijk wel een bijdrage kan leveren tot een buitenlands accent in de uitspraak van T2-leerders.
Wanneer ze geproduceerd worden in een identieke fonetische omgeving, blijken verschillende klinkers gekenmerkt te worden door een verschillende toonhoogte of fundamentele frequentie (F0). Meer specifiek blijkt de toonhoogte van klinkers te correleren met hun articulatorische hoogte: hoge klinkers zoals [i] en [u] worden gekenmerkt door een hogere F0 dan lage klinkers zoals [a]. Dat karakteristieke 'intrinsieke' toonhoogteverschil tussen hoge en lage klinkers wordt in de literatuur aangeduid met de term 'intrinsieke toonhoogte', kortweg IF0, en vormt in mijn scriptie het voorwerp van onderzoek.
IF0 is een universeel fenomeen, dat in vrijwel alle talen voorkomt. Welk mechanisme de oorzaak vormt van IF0 is al uitgebreid onderzocht, maar blijft voorlopig echter onduidelijk. Omdat IF0 taaluniverseel is, nemen de meeste onderzoekers aan dat IF0 een automatisch gevolg is van de articulatie van klinkers. Volgens deze hypothese zou er een indirecte koppeling bestaan, waarvan de aard vooralsnog onduidelijk is, tussen het articulatorische mechanisme (de tong) en het fonatorische mechanisme (de larynx, met de stembanden), waardoor de beweging van de tong invloed uitoefent op snelheid van de trilling van de stembanden, en dus op de toonhoogte. Tegenover deze fysiologische verklaring, die in de literatuur dominant is, stellen enkele onderzoekers een alternatieve hypothese, de zgn. Auditory Enhancement Hypothesis: IF0 zou kunnen functioneren als een kenmerk dat talen aanwenden om klinkerverschillen perceptueel saillanter te maken. Waar in de eerste benadering IF0 beschouwd wordt als een zuiver fonetisch effect, waarover sprekers geen controle hebben, wordt IF0 in de tweede benadering gezien als een fonologisch kenmerk, dat talen gebruiken om klinkercontrasten te versterken, en waarover sprekers wel volledig onafhankelijke controle uitoefenen.
Mijn scriptie gaat dieper in op de implicaties van deze twee hypothesen voor de bijdrage die IF0 mogelijk kan leveren tot een buitenlands accent in de uitspraak van leerders van een vreemde taal. Hoewel IF0 voorkomt in vrijwel alle talen, is het nl. best mogelijk dat het IF0-effect niet in elke taal even groot is. Volgens beide hypotheses is het mogelijk dat talen specifieke normwaarden kennen voor IF0, die onderling kunnen verschillen. Dat betekent dat IF0-waarden die afwijken van die normen kunnen bijdragen tot een buitenlands accent in de uitspraak van T2-leerders.
De aard van die bijdrage verschilt echter in de twee hypotheses. Volgens de fysiologische hypothese, die stelt dat sprekers geen actieve controle hebben over IF0, moet de leerder bij het leren van de klinkers van T2 enkel zijn articulatorische patronen leren aanpassen aan de klinkers van de nieuwe taal, en moet hij geen apart mechanisme voor IF0 leren modificeren en beheersen. Een afwijkende IF0-waarde levert dus geen autonome bijdrage tot een buitenlands accent, maar is puur het gevolg van een afwijkende articulatie van de klinkers van T2. De Auditory Enhancement Hypothesis, daarentegen, stelt dat aan de basis van IF0 een onafhankelijk mechanisme ligt dat sprekers actief kunnen manipuleren. Dat betekent dat om de articulatorische normen en de IF0-norm van klinkers in T2 te bereiken, de leerder twee aparte mechanismen moet leren modificeren: hij moet zijn articulatorische patronen aanpassen en, los daarvan, ook zijn fonatorische patroon aanpassen aan T2, om een accentloze uitspraak in T2 te bereiken. IF0 kan volgens deze hypothese dus wel zelfstandig bijdragen tot een accent in vreemdetaalverwerving.
Vertrekkende vanuit deze implicaties, trachtte mijn onderzoek licht te werpen op twee vragen:- Hebben talen welbepaalde normwaarden voor IF0, die onderling kunnen verschillen, en kan IF0 bijgevolg bijdragen tot een buitenlands accent (zoals uit beide hypotheses volgt)?
- Is die bijdrage zuiver het gevolg van klinkerarticulatie (zoals de fysiologische hypothese stelt), dan wel autonoom, d.w.z., veroorzaakt door een mechanisme dat los staat van het articulatorische mechanisme (zoals de Auditory Enhancement Hypothesis stelt)?
Deze vragen werden onderzocht d.m.v. een experiment waarin, op basis van de F0-waarden van hun klinkers [i], [u] en [a], de IF0-waarden van drie groepen sprekers in twee talen, het Marokkaans Arabisch en het Belgisch Nederlands, werden gemeten en vergeleken.
Uit de vergelijking van de IF0-waarden van een groep eentalige sprekers van het Belgisch Nederlands en een groep eentalige sprekers van het Marokkaans Arabisch, bleek dat het IF0-effect in het Arabisch significant kleiner is dan in het Nederlands. IF0 blijkt dus inderdaad te kunnen verschillen tussen talen, en daardoor te kunnen bijdragen tot een buitenlands accent. Dit resultaat werd bevestigd door de IF0-normwaarden voor het Arabisch en het Nederlands te vergelijken met de IF0-waarde die een derde groep sprekers, een groep tweetaligen Marokkaans Arabisch-Belgisch Nederlands, in het Nederlands produceerde. Hun IF0-waarde bleek af te wijken van de norm van het Arabisch, maar bleek tegelijk de norm van het Nederlands slechts te benaderen, en niet volledig te bereiken. De ervaren tweetaligen binnen deze groep benaderden bovendien de Nederlandse IF0-normwaarde veel sterker dan de sprekers met aanzienlijk minder ervaring in het Nederlands. Daarmee blijkt IF0, net zoals andere in de literatuur onderzochte kenmerken van klinkerarticulatie, vatbaar te zijn voor de typische verschijnselen van een buitenlands accent die optreden bij T2-verwerving.
Om de tweede onderzoeksvraag te beantwoorden, werden naast de IF0-waarden ook de articulatorische posities van [i], [u] en [a] van de drie groepen sprekers vergeleken. Daaruit bleek dat, hoewel de tweetaligen de IF0-norm voor de Nederlandse klinkers slechts wisten te benaderen, ze de articulatorische normen voor die klinkers wel volledig bereikten. Dit resultaat kan op verschillende manieren geïnterpreteerd worden. Het kan gelezen worden als een aanwijzing voor de claim van de Auditory Enhancement Hypothesis dat aan de basis van IF0 een onafhankelijk mechanisme ligt, dat volledig los staat van het mechanisme voor klinkerarticulatie, en dat de tweetaligen in dit experiment slechts gedeeltelijk wisten te modificeren in de richting van de Nederlandse IF0-norm. Een andere mogelijkheid is dat IF0 wel veroorzaakt wordt door de fysiologische koppeling tussen het articulatorische mechanisme en de larynx, zoals de fysiologische hypothese stelt, maar dat er daarnaast nog een andere, voorlopig nog onbekende factor in het spel is, die met die fysiologische koppeling interageert, en er voor zorgt dat IF0 in het Nederlands groter is dan in het Arabisch. Het is dan ook die extra factor die ervoor zorgde dat de tweetaligen in dit experiment, hoewel ze de articulatorische normen van de Nederlandse klinkers bereikten, er toch niet in slaagden de IF0-norm te bereiken.
Een tentatieve hypothese is dat die factor gezocht moet worden in de positie van de larynx. Mogelijk verschilt die in het Arabisch en in het Nederlands, en heeft door die verschillende larynxhoogte de articulatie in het Arabisch een kleiner effect op de spanning van de stembanden dan in het Nederlands, wat een kleinere IF0-waarde in het Arabisch tot gevolg heeft dan in het Nederlands. Voor leerders van een T2 betekent dit dat ze, om zich de karakteristieke IF0-norm van die T2 eigen te maken, de articulatorische doelposities van de klinkers van T2 moeten bereiken, en hun laryngale positie moeten aanpassen aan de specifieke laryngale positie van T2. We kunnen dan speculeren dat de tweetaligen in dit experiment in het eerste geslaagd zijn, maar in het tweede nog niet helemaal.
Samenvattend lieten de resultaten van deze studie me dus toe te concluderen- dat IF0 wel degelijk een bijdrage kan leveren tot een buitenlands accent in de spraak van T2-leerders, en
- dat de grootte van IF0 misschien wel gedeeltelijk, maar alleszins niet zuiver het effect van klinkerarticulatie kan zijn, waardoor leerders bij het leren van een T2 meer moeten doen dan enkel hun articulatorische patronen aanpassen om een authentieke IF0-waarde te produceren, die samenvalt met de normwaarde van T2.
Uit het voorgaande mag blijken dat IF0 een aspect van klinkerarticulatie is dat het waard is om verder vanuit een T2-verwervingsperspectief bestudeerd te worden. Verder onderzoek kan niet alleen meer inzichten opleveren over de manier waarop IF0 kan bijdragen tot een buitenlands accent, en over de tentatieve hypothese die ik daarover formuleerde, maar kan ook een interessante bijdrage leveren tot het debat over de oorzaken van IF0. De beperkte studie die ik in mijn scriptie presenteerde wilde daartoe een aanzet vormen.
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties
