taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » taal » spelling » Reacties »

De spelling 2005 - Vereniging van Vlaamse Moedertaaldidactici

augustus 2006

Ghislain Duchâteau, Voorzitter van de Vereniging van Vlaamse Moedertaaldidactici, namens het VVM-bestuur

Het VVM-Netwerk mag zich in deze nieuwsbrief niet onbetuigd laten over de spelling 2005 n.a.v. de officiële invoering voor de openbare diensten en voor het onderwijs op 1 augustus 2006. Dan wordt de spelling zoals ze vervat ligt in het Groene Boekje - Woordenlijst Nederlandse Taal voor die instituties verplicht van toepassing.

Bij de publicatie in oktober 2005 ontstond er nogal commotie rond dit gebeuren, vooral in sommige Nederlandse media en ook bij het Genootschap Onze Taal, die zich distantieerden van de actualisering van de Woordenlijst en van de veranderingen bij een enkele spellingregel en actuele spellingprobleempjes. Naast de Groene Spelling (GS) riepen zij de Witte Spelling (WS) in het leven, die in augustus 2006 een Wit Boekje met voor een aantal woorden een afwijkende spelling als alternatief zou aanbieden. Het Witte Boekje zou vanwege zijn laagdrempeligheid en betere 'aansluiting bij het taalgevoel' wel een plaats in het klaslokaal verdienen. De redactie zal daarom ook nadrukkelijk wijzen op de toepassingsmogelijkheden in het onderwijs. Op deze naïviteit komen we verderop in het artikel terug.

Die 'spellingrevolte' alarmeerde de Nederlandse Taalunie, die voor de Groene Spelling instaat onder de hogere verantwoordelijkheid van het Comité van Ministers (van onderwijs en cultuur) en onder toezicht van de Interparlementaire Commissie van de Nederlandse Taalunie. Op 20 februari 2006 belegde de Interparlementaire Commissie in het Vlaams Parlement over de spellingaanpassing een hoorzitting. Namens de Vereniging voor het Onderwijs in het Nederlands (VON) nam didactica Nederlands Rita Rymenans van de UA deel aan die hoorzitting. Haar tekst Spelling 2005: implicaties voor het onderwijs? heeft zij in het tijdschrift Vonk 35e jg. - april 2006 blz. 32-35 gepubliceerd.

Omdat de Vereniging van Vlaamse Moedertaaldidactici zich goed kan vinden in de visie van de Antwerpse didactica is de VVM zo vrij haar gedachtegoed uit die publicatie hier ruim over te nemen.

Uit de eindtermen en leerplannen voor het Vlaams onderwijs komen een zevental krachtlijnen over spellingonderwijs in het secundair onderwijs naar voren:

En dat is in een notendop het concept voor een volwaardige spellingdidactiek in het secundair onderwijs. Hoe zit dat nu voor het basisonderwijs, waar leerlingen leren spellen? Wel, daar zal vrijwel niets aan hun onderwijs Nederlands veranderen. De actualisering heeft immers geen betrekking op de spellingonderwerpen die structureel in het basisonderwijs aan de orde zijn.

Occasionele inprenting voor het schrijven van woorden waaraan de spellingactualisering 'toevallig' iets verandert, kan wel nodig zijn: hoofdletters bij volkerennamen (Inca's), spaties (Dode Zeerollen), plantennamen (kattenkruid), breuken (vier vijfde), nieuwe woorden (e-mailen).

Rita Rymenans kiest dan resoluut voor de stelling dat goed spellingonderwijs moet aansluiten bij de manier waarop de speller spelt. Aan Nederlandse en Vlaamse universiteiten, onder meer aan de Universiteit Antwerpen, is daar de laatste tijd veel onderzoek naar gedaan. In de rubriek 'Actuele berichten' van de VVM-website (www.vvmwebstek.be) verwijzen we naar de website van Frans Daems met een aantal bijdragen en onderzoeksverslagen over spellen en leren spellen aan de Universiteit Antwerpen. Graag nemen we hier dat websiteadres over : www.ua.ac.be/frans.daems . De kennis die uit dat onderzoek is opgedaan, vat Frans Daems samen in een interview dat in de weekendeditie van de NRC van 18/19 februari 2006 verscheen.

"Interessant is dat blijkt dat het aanleren van regels, zeker in het basisonderwijs, geen zin heeft. Het gaat om het herkennen van patronen en inprenten. Spellen leer je door te schrijven en het woordbeeld in je geheugen op te slaan. Woordbeelden en patronen haal je nadien bij het schrijven uit je geheugen, je spellinghandeling wordt meestal niet gestuurd door regels. Daarmee is meteen verklaard waarom mensen vooral veel fouten maken in de werkwoordspelling, ondanks het feit dat de regels daarvan behoorlijk overzichtelijk en logisch zijn en het aantal uitzonderingen beperkt. Volgens frequentietellingen van het INL [Instituut voor Nederlandse Lexicologie] (38 miljoen woorden) komt de vorm wordt met dt 212 keer zo vaak voor als word met d. Dit zorgt ervoor dat de vorm wordt automatisch uit het geheugen opspringt als de keuze gemaakt moet worden, nog voor iemand een regel toegepast heeft. En daarom gaat het dus ook zo vaak fout."

Verder vindt Rita Rymenans het een groot pluspunt dat de spelling 2005 gericht is op een grotere consistentie én op het niveau van de aparte woorden (gelijkvormigheid) én over de woorden heen (analogie). De leerling en de andere taalgebruiker kunnen aldus gemakkelijker de passende analogie vinden voor woorden die niet in zijn geheugen zitten. Zo speelt de geactualiseerde spelling beter in op de meest gebruikte strategieën van de speller, de geheugenstrategieën, namelijk woordbeeld- en analogiestrategie.

Om dezelfde reden is het bijzonder belangrijk dat de spelling uniform is, m.a.w. dat leerlingen/lezers niet met verschillende woordbeelden of tegenstrijdige analogieën worden geconfronteerd. Hier citeren wij Rita Rymenans letterlijk: "Organisaties die een alternatieve 'witte' spelling ontwikkelen en media die eigen spellingregels hanteren, bewijzen onze leerlingen (en alle andere lezers) dus een heel slechte dienst! Met dit fenomeen zijn wij in Vlaanderen 41 jaar lang geconfronteerd geweest (van 1954 tot 1995): terwijl in het onderwijs de voorkeurspelling verplicht was, hanteerden de meeste kranten de progressieve spelling. Dat leidde soms tot de waanzinnige situatie dat leraren krantenartikels die ze in de les Nederlands wilden gebruiken, eerst overtypten."

Uit de voorstellen van de 'witte spellers' blijkt dat zij ingaan tegen de uniformiteit en de consistentie van het Nederlandse spellingsysteem. Wij formuleren vanuit de VVM onze belangrijkste bezwaren tegen de Witte Speling (WS):

  1. De vrijheid om alternatieve spellingen te schrijven, bv. bij tussen-n'en (schapewol i.p.v. schapenwol), letterwoorden (havo'er i.p.v. havoër) tast de uniformiteit aan, en maakt het voor de lezer, schrijver en leerder moeilijker om tot vaste woordbeelden te komen. Dat is een ramp voor alle lerenden, Nederlandstalige en anderstalige, en des te meer voor wie leerproblemen heeft (leerzwakken, leeszwakken, dyslectici enz.).
  2. Een aantal van de voorstellen van de WS doorbreekt de consistentie, in het bijzonder de analogie over de woorden heen. Zie bv. judoën, kanoën, judoër, kanoër - havoër, hobuër (GS), waar de WS havo'er en vermoedelijk hobu'er wil! Moeten we dan ook kano'en, judo'er, onderzee'er gaan schrijven?
  3. De WS denkt ten onrechte dat mensen regelspellers zijn, dat zijn ze niet, mensen zijn woordbeeld- en analogiespellers. Als het onderwijs met spellingregels werkt, dan zijn die bedoeld als middel bij de instructie, niet als spellingstrategie voor de gebruiker. De aanhangers van de WS hebben niet veel kaas gegeten van taaldidactiek of spellingdidactiek.
  4. In zijn algemeenheid geeft de berichtgeving over de WS de indruk dat zij kiezen voor een verregaande vrijheid van de taalgebruiker ('het taalgevoel van de speller' volgens Onze Taal juli 06 en de website van Onze Taal). Dat kan tot in het absurde worden doorgetrokken en daardoor wordt ook het onwenselijke ervan aangetoond.

Wij besluiten: "Het wezenlijke punt is dat de WS afstapt van de gedachte van een zo uniform mogelijke spelling met zo weinig mogelijke varianten, en juist de deur in de richting van wildgroei van spellingvarianten openzet. Waar houdt dat op? Houdt dat op?"

Vlaamse leraren hebben zich tot op zekere hoogte door de spellingkoorts laten besmetten. Dat blijkt uit hun massale belangstelling voor de nascholingssessies die ons medebestuurslid José Vandekerckhove o.m. voor het Centrum Nascholing Onderwijs aan de Antwerpse Universiteit verzorgde. Zij willen beslagen ten ijs komen en dat is maar redelijk ook, hoewel er voor het onderwijs Nederlands op het gebied van spelling bijzonder weinig verandert. Met Rita Rymenans zijn we het ook eens dat het voor vakdidactici Nederlands niet nodig is wakker te liggen van de spellingaanpassing, maar dat het veel belangrijker is zich intens toe te leggen op cruciale thema's als de talige competenties van leraren (cf. de artikels in deze nieuwsbrief over taalbeleid), de laaggeletterdheid, de plaats van het Nederlands in nieuwe vormen van leren. Inderdaad, dat zijn de onderwerpen die er echt toe doen voor het onderwijs in en van het Nederlands.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties