Nederlands-Vlaamse Toneelschrijfprijs 1992
"Zonder stinkende handen, geen toneel..."
We zijn boos geweest, ontsteld, pisnijdig, ontgoocheld door zoveel kleffe, welriekende handen, door zoveel schraal (literair) parfum, door zoveel cleenextheater. Af en toe - en gelukkig maar - zijn we ook geschokt geweest, ontroerd, ontredderd, buiten adem door een krachtige handdruk, door rijkgespierde maar verweerde handen, door de indringende, prikkelende geur van zilte theaterteksten.
Er wordt wat af geschreven in het Nederlandstalig theater, én opgevoerd. Als je alle teksten van het afgelopen seizoen tot een stapel schikt, kom je spelenderwijs l ,5 meter hoog. 1,5 meter Toren van Babel. 1,5 meter schrijfplezier én schrijfverdriet. Dat er veel geschreven wordt, is op zich een positieve zaak, minder gelukkig zijn we met de kwaliteit ervan en met het waarom van het schrijven.
Je kan er niet omheen: de meeste (jonge) auteurs hebben 'een vlotte pen'. Maar te vaak schrijft die pen al té vlot, glijdt ze uit in haar eigen dolle danspasjes, verslikt ze zich in kunstmatig, trendgevoelig, zogenaamd postmodernistisch geneuzel. Dan krast ze niet meer, dan 'stinkt' die pen niet langer en verzuipt het schrijfsel in een dun soepje van clichés en flauwiteiten. Waarom, zo vraag je je dan af, moet dat zo nodig? De schrijfdaad moet toch meer zijn dan een artistieke zelfbevrediging. Schrijven als therapie kan leuk zijn en heeft waarschijnlijk nut voor de schrijver in kwestie, maar moeten daar ook andere mensen mee lastig worden gevallen?
Erger nog vonden we het kritiekloos, blind achternalopen van trends. Het theater heeft geen behoefte aan pseudo-ismen; Vlaanderen zit niet te wachten op een nep-Müller, Nederland kan best zonder placebo-Koltès. Een theatertekst, zoals elke literaire tekst trouwens, werkt niet als een 'dummy pill'.
Goedkope associatietechnieken, écriture automatique, het zijn vaak gemakkelijke, luie oplossingen. Af en toe levert dit mooie scènes of spannende flarden dialoog op, maar die verzinken meestal in een warrige, ongecontroleerde dramaturgische opbouw van de gehele tekst. Het stuk lijkt dan op een scheef gemetseld, kramakkelig muurtje met hier en daar een felgekleurde maar nutteloze baksteen. Je duwt het als lezer zo om, en de mooie stenen verdwijnen onvindbaar onder een hoop gruis.
Vaak worden schrijvers de laatste tijd 'gedwongen' (gevraagd is een correcter woord) om een ei te leggen in het nest van een schrijfopdracht. Vooral opvallend in het afgelopen seizoen waren de talrijke serie-schrijfopdrachten waarbij de auteurs verworden tot legbatterijkippen die babbelend en kakelend hun produkt deponeren. Dan overvalt je als lezer wat Roland Barthes een afdrift noemt: ... een afdrift wordt mijn plezier als ik het geheel niet accepteer... Een andere naam voor de afdrift zou daarom zijn: het Onhandelbare - of misschien ook: de Domheid (Het plezier van de tekst, Roland Barthes).
De jury stelt zich daarom een aantal vragen bij de zin en de onzin van een serie-schrijfopdracht en plaatst ernstige vraagtekens bij het voornamelijk oneigenlijke gebruik ervan. Een gelukkige uitzondering hierop vond de jury het project 'InSpiraties' van Theaterwerkplaats InDependance waarin op een bijzondere manier verschillende kunstdisciplines als beeldende kunst, literatuur, theater en videokunst met elkaar in contact werden gebracht. Dit leverde uitzonderlijk mooie tekstbijdragen op van onder andere Paul Pourveur en Wanda Reisel.
In de marge van het fenomeen schrijfopdracht wenst de jury een lans te breken voor een rechtvaardiger, uitgebalanceerder uitgavebeleid. Veel stukken bereikten ons in getypte en gestencilde oervorm, terwijl andere - dikwijls van veel mindere kwaliteit - prachtig uitgegeven waren door al dan niet gerenommeerde uitgeverijen. Ook hier zou een kritische reflectie op de noodzaak van het uitgeven van teksten meer dan op zijn plaats zijn. De jury vindt het anderzijds wel van belang dat een theatergezelschap consequent haar gespeelde teksten uitgeeft als artistieke inventaris, als parameter voor haar beleid en ontwikkeling. En dit tussen haakjes: de Vlaams-Nederlandse bodem lijkt een zeer onzalige en onvruchtbare plek te wezen om theaterteksten te schrijven. Liefst van al schrijven auteurs op meer exotische plaatsen met namen als Sulejov, Friedberg, Florac, Austin, Reykjavik, Cuernavaca en, jawel, Siberië! Wat een mens al niet doet, waar hij al niet heenreist voor een intiem tête-a-tête met de muze...
Wat de jury zeer verheugt is de, ook door eerdere jury's gesignaleerde, hoge kwaliteit van stukken voor het jeugdtheater. Wat haar zeer bevreest is de steeds dieper en breder wordende kloof tussen Nederland en Vlaanderen. Vooral de theaterteksten geschreven in opdracht van rijkelijk gesubsidieerde Vlaamse officiële jeugdtheatergezelschappen zijn van een bedroevend laag niveau. In deze teksten worden kinderen en jonge volwassenen nog immer beschouwd als onnozele, nietswetende knullen die belerend en paternalistisch moeten worden toegesproken in een liefst kromme, kinderachtige taal volgestouwd met alle traditionele waardepatronen en gelardeerd met infantiele kampvuurnummertjes en oubollige dansjes geplukt uit het Bokrijkarsenaal. Het zou echter heel onrechtvaardig zijn om het kind met het badwater weg te gooien en alle Vlaamse jeugdtheatergroepen op éé hoop te keilen. Groepen als Het Gevolg en Oud Huis Stekelbees leverden met stukken als Koningsdrama's (Bart Meuleman en Ignace Cornelissen) en Polaroid (Jan Simoen) meer dan lezenswaardige en boeiende teksten af die de vergelijking met het betere werk uit Nederland kunnen doorstaan.
De jury heeft helaas ook moeten constateren hoe eenzijdig de thematiek is die in vele stukken aan bod komt, terwijl de onderwerpen toch ... als hondedrollen voor het opscheppen liggen? (Liefhebber) Veel auteurs geraken niet verder dan hun eigen neus of ziel en verpakken hun intimistische zieleroerselen meestal in zwaar op de hand liggende genregewrochten. Opvallend is ook dat de komedie haast spoorloos van het toneel verdwenen is. Ligt dit aan de complexiteit van het genre of geeft de maatschappij inderdaad weinig aanleiding totgniffelen en gieren? Ook hier bevestigt de uitzondering de regel: met Het laatste Kievitsei. Een existentialistisch kamerdrama toont Toneelgroep Het Volk aan dat de (zwarte) komedie springlevend is, al handelt het stuk over de dood en de uitzichtloosheid van het menselijk bestaan.
Alvorens de laureaat van de Nederlands-Vlaamse Toneelschrijfprijs 1992 bekend te maken, wil de jury graag een aantal opmerkelijke theaterteksten met name noemen. Teksten die, hoe uiteenlopend van genre, stijl en doelgroep ook, alle gemeen hebben dat ze een grote liefde, gedrevenheid, passie en gevoeligheid voor de taal en het schrijven uitstralen, hetgeen hen onderscheidt van het leeuwedeel van de ingezonden teksten. Teksten waarin de taal de natuurlijke, lichamelijke kracht van poëzie heeft, en niet louter vehikel van een boodschap is. Teksten die doen verlangen naar meer, naar meer taal, naar meer poëzie, en naar een transpositie op de scène.
Met Liefhebber, waaruit we eerder in dit juryrapport citeerden, schreef Gerardjan Rijnders een stuk als een vuistslag, In een bittere monoloog schetst hij onverbiddelijk de hachelijke positie waarin het theater is geraakt. Met een taal waarin het ene beeld het andere verdringt, waarin op subliemewijze poëzie, citaten, scheldtirades en diepgemeende opvattingen in razende vaart over elkaar heen vallen, haalt hij keihard uit naar het passieloze, het op zichzelf gerichte, het onverschillige theater. Overal is drama, waarom verdomme niet op het toneel?, spuugt de tekst ons in het gezicht. Tegelijkertijd echter getuigt Liefhebber ook van een grote liefde voor en een compromisloze toewijding aan datzelfde toneel. In deze combinatie van oprechte woede en bekommernis, en in het plei dooi voor een levend, eventueel scheldend en desnoods bloedend theater ligt ons inziens het belang van deze ook literair zeer waardevolle tekst.
In Een zwarte Pool legt Karst Woudstra op niet mis te verstane, humorvolle wijze de onmacht van de gefrustreerde mens bloot. Het is een ogenschijnlijk gewone avond als de Van der Merwedes een bevriend echtpaar op bezoek krijgen. Naarmate de avond vordert blijken hun levens evenwel te balanceren op de rand van een borrelende vulkaan, waar elk woord de uitbarsting in gang kan zetten.
De vier verstrikte karakters tekenen zich scherp in hun omgang met een Pool, die zwart iets bij probeert te verdienen. Men maakt zich beleefd druk over de wantoestanden in de wereld, maar vergeet dat alles onmiddellijk als het eigenbelang in het geding komt. Karst Woudstra speelt een meesterlijk spel met zijn dialogen. Onder de feitelijke taal schuilt een wereld van frustraties, kortzichtigheid, vernietigingsdrang, haat en aandoenlijke onmacht. In één avond worden de levens van zijn personages gereduceerd tot hoopjes ellende. Nog tragischer is echter het vermoeden dat de meeste van hen de volgende dag onveranderd op de oude voet verder gaan. Dat besef teweeg te brengen, zonder te vervallen in een zich voortslepende zwaarmoedigheid, getuigt van een in het Nederlands taalgebied te weinig gekende kwaliteit.
Eén van de meest opmerkelijke en verrassende theaterteksten die de jury ter lezing kreeg aangeboden, was het debuut van Peter de Graef, Et voila ...! De auteur schreef deze tekst, in nauwe samenwerking met Luk Nys, op basis van teksten die uit improvisaties ontstonden rond de twee versies van het verhaal Le Horla (1881-1886) van Guy de Maupassant.
Peter de Graef weet op een haarscherpe, sobere en indringende manier de psyche van een man te ontleden, die, zoals Dirk Verstockt schreef in het Nieuwpoort Magazine, een held wil zijn van zijn eigen leven, die een zoektocht onderneemt naar de randen van het bewustzijn, maar het knagende gevoel heeft uit elkaar te vallen...
De jury werd aangenaam verrast door de poëtisch-associatieve kracht van deze monoloog waarin op een haast dramaturgisch perfecte wijze zin en waanzin, realiteit en rite, dood en doemdenken, rationaliteit en irrationaliteit tegen elkaar uitgespeeld worden en tegelijk organisch in elkaar overvloeien. Et voila ...! is een overtuigend voorbeeld van een met liefde en gevoeligheid voor taal en onderwerp geschreven speeltekst die hooggespannen verwachtingen oproept naar het verdere schrijfwerk van Peter de Graef.
Dan is nu het moment aangebroken om de laureaat bekend te maken. De jury heeft unaniem besloten de Nederlands-Vlaamse Toneelschrijfprijs 1992 toe te kennen aan Suzanne van Lohuizen voor haar theaterteksten Heb je mijn kleine jongen niet gezien? en Het huis van mijn leven.
Haar omgang met taal, ritmisch en speels, zuiver, precies, maar ook grotesk, humoristisch, poëtisch en dramatisch, heeft de jury zeer ontroerd en geboeid. Heb je mijn kleine jongen niet gezien? is geschreven voor heel kleine kinderen. Twee mannen, Staap en Kamiel, zijn hun kleine jongen kwijt. Pas tegen het einde van het stuk realiseren ze zich dat het kind nog geboren moet worden. In korte, afgemeten zinnen, die het geheel een opzwepend ritme geven, beleven we de zorgen en vreugden om het nieuwe kind. De afwezigheid van het kind verleent het stuk een abstractie waardoor het humor krijgt en tegelijk ontroert. Het is zeer knap hoe de schrijfster het eenvoudige gegeven steeds een onverwachte wending weet te geven. Zonder op de hurken te gaan zitten en de badinerende spreektoon aan te nemen die vaak tegen kleine kinderen gebruikt wordt, spreekt Suzanne van Lohuizen direct tot het hart. En, aangezien kinderen ook een hart hebben, direct tot diegenen voor wie ze het stuk geschreven heeft.
In Het huis van mijn leven creëert Suzanne van Lohuizen een prachtige, fascinerende en evenzogoed wrede wereld. Ze voert ons binnen in de grimmige nachtmerrie die de verhouding tussen de hoofdpersoon Frederik en zijn moeder geworden is. Haar taal, tegelijk poëtisch en niets onziend, krijgt in de zoektocht van Frederik naar zijn zusje een haast mythische kracht, maar staat toch in zijn eenvoud dicht bij ons.
Het huis van mijn leven is geïnspireerd op het werk van Hendrik de Vries (1896-1989). Een aantal zorgvuldig (uit 700 stuks) gekozen gedichten van zijn hand is als koorzangen / liederen geïntegreerd. Ze zijn op een zodanige wijze gebruikt dat dit tot een wederzijdse verrijking heeft geleid. Te zamen vormen ze een geheel met een grote zeggingskracht.
Het is uniek te noemen dat een auteur in één seizoen twee teksten aflevert, die ieder van een dermate uitzonderlijk niveau zijn, dat ze beide voor bekroning in aanmerking komen. De jury spreekt hierbij de hoop uit dat de rijkdom aan mogelijkheden die Suzanne van Lohuizen aan schrijftalent bezit in de toekomst tot veel prachtige toneelstukken zal leiden.
JuryAnnekee van Blokland, Theatergroep Bonheur
Liesbeth Coltof, Huis aan de Amstel
Gommer van Rousselt, Blauwe Maandag Compagnie
Steven Peters, organisatie
Nieuwsberichten
- Kris Cuppens wint Taalunie Toneelschrijfprijs 2006
- Genomineerden Taalunie Toneelschrijfprijs 2006 bekend
- Anna Enquist, Antoine Uitdehaag en Anne Vegter winnen Taalunie Toneelschrijfprijs 2005 met Struisvogels op de Coolsingel
- Jeroen van den Berg wint Taalunie Toneelschrijfprijs
Wegwijzer – Colofon – Contact – Vrijwaring – Opmerkingen en reacties
