taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: start » over taalunie »

Toespraak Vlaams minister Bert Anciaux

Welkomstwoord door Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel en lid van het Comité van Ministers van de Nederlandse Taalunie.

Presentatie deel 1 (Stemmen op Schrift van Frits van Oostrom) en deel 7 (Altijd weer vogels die nesten beginnen van Hugo Brems) van de nieuwe Geschiedenis van de Nederlandse literatuur - 23 februari, Breda, Grote Kerk

Koninklijke Hoogheden, excellenties, dames en heren,

Welkom in Breda, in deze mooie Grote Kerk. Mij werd verteld dat al in het midden van de 13e eeuw melding wordt gemaakt van een stenen kerk in Breda. Er stond hier dus al een kerk in de tijd die beschreven wordt in een van de boeken die vandaag het licht zien. Vroeger stonden er geen stoelen in de kerk. Alleen voor de aanzienlijke mensen waren er banken. Een van die speciale banken staat er nog steeds, de zogenaamde Prinsenbank. Het schijnt echter dat er nooit Prinsen op gezeten hebben. Ook vandaag wordt de prinsenbank niet gebruikt, maar wij zijn wel blij dat vandaag twee prinsessen deze plechtigheid bijwonen. Het onderstreept het belang van een groot Nederlands-Vlaams project waarvan vandaag de eerste resultaten worden gepresenteerd: de nieuwe Geschiedenis van de Nederlandse literatuur.

Ik heb de twee nieuwe boeken nog niet kunnen inzien - ze worden pas dadelijk gepresenteerd. Ik vermoed dat het boek van Hugo Brems voor mij een feest van herkenning zal zijn. Heel wat protagonisten uit zijn boek heb ik in levende lijve ontmoet en met menigeen heb ik een inspirerend gesprek gevoerd. Over de figuren in het andere boek, dat van Frits van Oostrom, kan ik dit niet zeggen. Toch hebben het melancholieke Egidiuslied en de mystiek van Hadewijch mijn identiteit mee bepaald. En in mijn politiek leven ontmoet ik wel eens een Reynaert. Ook de klinkende namen uit de boeken die nog moeten verschijnen: Vondel, Sara Burgerhart, Kloos, Van de Woestijne - om er een paar te noemen - zijn onderdeel van ons collectief geheugen. Je zou kunnen zeggen dat een literatuurgeschiedenis een back-up is van dit collectieve geheugen. We willen wat we weten, wat we belangrijk vinden, onthouden en verder vertellen aan anderen. In de jaren vijftig was het nog mogelijk dat één man – Gerard Knuvelder - de hele Nederlandse literatuur beschreef. In de jaren 90 constateerde de Raad voor de Nederlandse taal en letteren dat de houdbaarheidsdatum van 'de Knuvelder' al te lang was overschreden en achtte het de taak van de Taalunie om een nieuwe literatuurgeschiedenis te laten schrijven - dit keer door een team van Nederlandse en Vlaamse deskundigen.

Nederland en Vlaanderen werken binnen de Taalunie samen op het gebied van literatuur en lezen waar dat een duidelijke meerwaarde heeft, dus als de taalgebruiker er beter van wordt. En dat 'er beter van worden' kan heel praktisch zijn, bijvoorbeeld omdat het goedkoper is om dingen samen te doen. Maar ook inhoudelijk, omdat het resultaat beter wordt of omdat de materie waar het om gaat zo gemeenschappelijk is, dat een gezamenlijke aanpak zich als het ware opdringt. En dat laatste is bij de geschiedenis van de Nederlandse literatuur het geval: deze geschiedenis speelt zich af aan twee zijden van een grens die soms afwezig, soms transparant en soms een hoge drempel was.

Het Comité van Ministers van de Taalunie nam daarom in 1997 het advies van de raad over en maakte gelden vrij voor een ambitieus literatuurgeschiedenisproject. Het bestaan van de Taalunie maakte grensoverschrijdende financiering en samenwerking mogelijk. Twee landen die samenwerken, een team van Nederlandse en Vlaamse deskundigen die jarenlang samenwerken - dat is uniek en bijzonder. Het toont aan dat Nederland en Vlaanderen niet enkel een gedeeld verleden hebben maar ook een gedeeld heden.

Elke geschiedenis is een rangschikking van feiten, een nieuwe literatuurgeschiedenis is een nieuwe rangschikking van feiten. Het nieuwe aan deze literatuurgeschiedenis is onder andere dat hierbij de literatuur in Nederland en Vlaanderen zo veel mogelijk als een geheel wordt behandeld. Niet naast elkaar, maar als bij een fuga. Een fuga met stemmen van mannen en vrouwen, uit Nederland en Vlaanderen, uit Suriname, de Antillen en uit voormalig Nederlands-Indië. De stemmen zetten soms hetzelfde thema in, verplaatsen het dan weer naar verschillende toonhoogtes, introduceren tegen thema’s om elkaar vervolgens weer te ontmoeten. En wat een mooi thema introduceerde de eerste literaire stem op schrift in onze taal: 'hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu. Wat unbindan we nu'. Met dit thema kunnen we nog 1000 jaar verder want er zijn steeds weer vogels die nesten beginnen...

Een geschiedenis is niet enkel een opsomming van feiten. Er wordt ook een verhaal bij die feiten verteld, er wordt gekeken naar de context. Hoe zag de wereld eruit? Hoe keek men aan tegen literatuur en lezen. Waarom vond men bepaalde schrijvers goed? Ik ben er zeker van dat in het perpetuum mobile van de geschiedenis, veel te leren is uit het verleden. Is bijvoorbeeld het succes van de literatuurfestivals, de audioboeken en de podcasts een heropleving van de Middeleeuwse orale literatuur? In de 21e eeuw is het boek opnieuw niet het enige medium voor literatuur en lezen. Lezen doe je niet langer alleen met een boekje in een hoekje. Deze constateringen vereisen een herbezinning op de functie van literatuur en lezen en stellen ook vragen bij het letterenbeleid. Ook over dit soort thema's denken wij na in Taalunieverband.
In de discussie over literatuur en lezen wordt ook voortdurend de vraag gesteld hoe homogeen de Nederlandstalige literatuur is. Is er in deze tijd eigenlijk wel sprake van een 'gezamenlijke leescultuur'?. Is de variatie tussen de delen van het taalgebied groter dan binnen de delen ervan. Ik denk dat in een Nederlandstalige literatuur die één geheel is, ruimte is voor eigen accenten, vaak eigen aan de specifieke maatschappelijke inbedding van de literatuur in Nederland, Vlaanderen of Suriname. Zoals altijd bij variatie kan je de nadruk leggen op de verschillen of op de gelijkenissen. Een mooi voorbeeld is de recente discussie in de NRC over het zogenaamde 'boonchromosoon' van jonge Vlaamse schrijvers.

Dames en heren, om te eindigen een vreemde vraag op een dag als vandaag: is de nieuwe literatuurgeschiedenis een monument voor iets dat bijna voorbij is? Hebben we eigenlijk nog wel een literatuurgeschiedenis in boekvorm nodig? Paradoxaal genoeg wel, denk ik.
Elk medium heeft zo zijn eigen kracht en zwakte. In de filmpjes die we zonet zagen bijvoorbeeld, kon in een paar minuten een indruk gegeven worden over de nieuwe Literatuurgeschiedenis. De kracht van het geschreven woord, de kern van de literaire cultuur, ligt in de mogelijkheden tot overdenking en verdieping. De nieuwe literatuurgeschiedenis verschijnt op een historisch moment. Op het breukvlak van de overgang van de ene soort geletterdheid naar de andere, krijgen we een verhaal over alles wat op schrift is verschenen in de voorbije eeuwen. Niet als afsluiting, maar als onderdeel van een voortdurende reflectie op wat is voorafgegaan. Alles wat tot nu toe is verteld of bedacht, is vooralsnog bijna uitsluitend toegankelijk via geschreven taal. En dat zal nog wel even zo blijven.

Zoals ik aan het begin zei, dit project is uniek, echter niet alleen omdat twee landen besluiten om een gezamenlijke literatuurgeschiedenis te schrijven. Het is in nog meer opzichten uniek: aan dit project werken een groot aantal neerlandici en letterkundigen uit het taalgebied mee. Ik noem de auteurs Frits van Oostrom, Herman Pleij, Karel Porteman, Mieke Smits-Veldt, Joost Kloek, Piet Couttenier, Wim van den Berg, Jacqueline Bel, Hugo Brems, de hoofdredactie Anne Marie Musschoot en Arie Gelderblom. Helaas ontbreekt de tijd om alle 26 redacteurs te noemen die het werk van hun collega's onvermoeibaar van deskundig commentaar hebben voorzien. Veel auteurs en redacties zijn nog volop aan het werk. Twee volgende delen komen over een jaar uit. Overheden kunnen bedenken dat er een gezamenlijke literatuurgeschiedenis moet komen, maar alleen u kon dat voornemen waarmaken en zorgen dat het ook daadwerkelijk gebeurde.

© Nederlandse Taalunie, 2000-2008 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties